Duik de geschiedenis in

Fortgrachten vol leven

| Eva Bleeker

Op 1 januari 2027 moet het zover zijn. Al het oppervlaktewater in ons land moet dan niet alleen schoon zijn, het moet ook in orde zijn voor alle planten en dieren die van water afhankelijk zijn. Dat hebben de landen van de Europese Unie eind 2000 met elkaar afgesproken. Nederland is nog ver verwijderd van dat doel. Nog maar 1 procent voldoet aan de afspraken. Sommige fortgrachten zijn echter een positieve uitzondering. Dat betreft dan de grachten die geen open verbinding hebben met sloten, kanalen en rivieren. In deze grachten komt geen water terecht dat is vervuild met meststoffen, pesticiden, medicijnresten of industriële lozingen. Het water komt hier uit de lucht vallen (regen, sneeuw) en borrelt uit de grond omhoog. Een deel van de gracht van Fort Ruigenhoek is zo schoon dat het al jaren dienst doet als zwembad. 

Kleurrijk

Langs de oevers van fortgrachten vind je vaak rietkragen. Tussen het riet, met de voeten in het water, maken gele lis, kleine lisdodde, waterzuring, moerasspirea, harig wilgenroosje en echte valeriaan de oevers kleurrijk. In het water groeit ook van alles. Voor een deel zichtbaar, zoals waterranonkel met z'n witgele bloemen, en krabbenscheer. Maar onder water groeien ook diverse planten, fonteinkruiden bijvoorbeeld. In het heldere water van de grachten kun je die laatste vanaf de kant goed zien. 

Als een speer

De steile oevers zijn ideaal voor de ijsvogel om een nest in te maken. De vogel, felblauw en oranje van kleur, houdt van helder water. Vanaf een tak boven het water speurt hij naar visjes. Ziet hij er een, dan duikt hij als een speer het water in. Hij blijft ook 's winters in ons land. En dan is het voor hem te hopen dat de gracht niet dichtvriest; de vissen zijn voor hem dan onbereikbaar. Op de rand van het water en het riet maken futen, meerkoeten en waterhoentjes hun nesten. In de rietkragen hoor je in het voorjaar rietzangers, rietgorzen, baardmannetjes en kleine karekieten zingen. Na een lange reis uit Afrika bouwen ze in het riet nestjes. Aan het eind van de zomer gaan ze met hun jongen terug naar warmere oorden. Niet veel later strijken dan slobeenden, kuifeenden, krakeenden en nonnetjes uit het noorden van Europa op het water neer. Zij ontvluchten de bittere kou en overwinteren in ons gematigd klimaat. De rietkragen en de planten die ertussen bloeien zijn een grote trekpleister voor libellen. Smaragdlibel, platbuik, lantaarntje, variabele waterjuffer, viervlek, blauwe en bruine glazenmaker jagen boven het water op insecten. 

Tafeltje Dekje

De goede waterkwaliteit zorgt in veel fortgrachten ook voor een gevarieerde visstand. Bittervoorn, blankvoorn, ruisvoorn, vetje, pos, winde, zeelt en de kleine modderkruiper. Veel vis betekent dat er veel te eten is voor snoeken en baarzen. In de grachten vinden ze een royaal gedekte tafel. Tenminste, als er niet teveel brasems zijn. Deze vissen woelen bij het zoeken naar voedsel (muggenlarven) de bodem om en maken het water daardoor troebel. Roofvissen kunnen hun prooien dan niet meer zien. De rust en beschutting maken dat de fortgrachten ook een ideaal leefgebied zijn voor amfibie"en, zoals de groene kikker, de kleine watersalamander en de rugstreeppad. De ringslang is er natuurlijk ook. Want met al die kikkers en salamanders is er volop te eten voor dit schuwe reptiel. Hij kan 1,20 meter lang worden en is daarmee de grootste slang die in ons land voorkomt; de andere twee zijn de adder en de gladde slang. In hopen met plantenresten leggen ze hun eieren; door de broei worden de eieren uitgebroed.

Dit verhaal verscheen eerder in Fort! Magazine, een uitgave van Forten Nederland. Tekst: Frans Bosscher, Willem Kolvoort, Natuurmonumenten e.a.